Beschrijving van de (deel)vaardigheid
In deze reeks van – in totaal – acht lessen gaan we het begrip sociale ongelijkheid conceptualiseren. Dat wil zeggen: het begrip ontrafelen en met de leerlingen opnieuw construeren aan de hand van voorbeelden en associaties bij de (deel)begrippen. Het leren en begrijpen van een concept verloopt immers niet via het reproduceren van een talige definitie. Door middel van het aangeboden lesmateriaal bouwen leerlingen aan een netwerk van associaties, voorbeelden, tegenvoorbeelden, vergelijkingen, kenmerken en indicatoren, en verbanden, waardoor concepten meer betekenis krijgen en makkelijker kunnen worden onthouden. Ook de inherente redeneringen in het concept worden ontrafelt en verduidelijkt met behulp van voorbeelden.
De nadruk in dit lesmateriaal ligt op het kernconcept sociale ongelijkheid. De context die we gebruiken om dit concept uit te diepen is het begin van de Coronapandemie. Door vergelijking van effecten van de epidemie in verschillende landen en op verschillende bevolkingsgroepen wordt het begrip sociale ongelijkheid concreet gemaakt en wordt een begin gemaakt met het ontleden van de samenhang met de andere (hoofd)concepten.
Omdat in een context vrijwel altijd verschillende sociaalwetenschappelijke hoofdvraagstukken (ongelijkheid, cohesie, identiteit en verandering) samenkomen, wordt die samenhang in dit lesmateriaal zichtbaar gemaakt. Leerlingen passen de vier hoofdconcepten van maatschappijwetenschappen toe om sociale kwesties te ontleden. Ze onderzoeken hoe in verschillende samenlevingen, sociale ongelijkheid, sociale cohesie, vorming/identiteit en verandering(en) samenhangen, aan de hand van een gegeven context: het begin van de Coronapandemie. Puntsgewijs gaat het om de volgende doelen:
- het adequaat (leren) toepassen van concepten in nieuwe contexten
- het leren denken over sociale kwesties in termen van uitkomsten van een samenspel van variabelen, dat wil zeggen verschillende factoren die kunnen variëren (b.v. de mate van ongelijkheid, de mate van cohesie, en door de variatie weer invloed hebben op andere variabelen
- leerlingen leren (ten aanzien van dat samenspel) onderscheid te maken tussen statistische verbanden en het beschrijven van de werking van een verband of mechanisme, en de gevolgen of uitwerking die bepaalde factoren mogelijk hebben
- leerlingen leren verschillende perspectieven/visies/paradigma’s op de (werking van) verbanden te benoemen/te onderscheiden. En daarmee:
- leren leerlingen onderzoeken (beschrijven, verklaren, en het beredeneren en onderbouwen van mogelijke oplossingen voor sociale maatschappelijke vraagstukken).
Om die doelen te bereiken is het nodig dat het leren van concepten op een hoger niveau komt te liggen: het moet meer zijn dan kunnen reproduceren: het gaat om dieper leren begrijpen en beter kunnen toepassen. Belangrijke vaardigheden daarbij zijn het kunnen onderscheiden en benoemen van indicatoren voor een concept (of variabele). Ook is het nodig dat leerlingen een concept niet op basis van één voorbeeld leren, maar een concept leren gebruiken in meerdere contexten (door het bestuderen van meerdere voorbeelden en associaties). Hulpmiddelen om die complexiteit te leren doorgronden zijn het kunnen gebruiken en herkennen van denkschema’s die het redeneren vereenvoudigen. In de lessen worden de denkstappen dan ook geoefend met behulp van definitieschema’s en (causale) redeneerschema’s.
Uitgangspunten bij de didactiek
We maken gebruik van de Context-Concept-Context-benadering (zie didactische principes). Dat wil zeggen dat er in het lesmateriaal een wisselwerking moet zijn in het opdoen van kennis over een context/casus enerzijds, en aan de hand daarvan het leren (gebruiken) van de concepten anderzijds. Vervolgens moet die kennis van de context en de concepten weer gebruikt wordt in een nieuwe context, om de kennis te verdiepen. Het gaat dus om het leren van begrippen aan de hand van concrete casuïstiek/contexten/aandachtsrichters. Daarvan leiden we begrippen (concepten) af, waarmee we de context ontrafelen, duiden en verklaren en leren denken over oplossingen. Die concepten kunnen we weer toetsen aan nieuwe voorbeelden of casuïstiek. Vandaaruit kunnen we concepten nog preciezer formuleren en met meer distantie verder ontwikkelen, waardoor je leerlingen weer op een hoger niveau kan leren redeneren en afwegingen kan leren maken over concrete sociale kwesties/contexten. Doel van maatschappijwetenschappen is tenslotte het kunnen analyseren van maatschappelijke vraagstukken; niet het kunnen reproduceren van concepten.
Wat betreft de bronnen/ de casuïstiek:
- Het gebruik van de vele diverse bronnen is onderscheidend in deze lessen. We denken dat het bouwen aan een netwerk van associaties rond een begrip makkelijker/dieper gaat, dan het leren reproduceren van een talige definitie.
- De bronnen zijn divers.
- Er is een variatie van talige bronnen (bijvoorbeeld kranten) en visuele bronnen (bijvoorbeeld foto’s, filmpjes et cetera)
- Er worden meerdere voorbeelden van hetzelfde onderwerp gegeven (bijvoorbeeld de pandemie in verschillende landen)
- Er worden uiteenlopende voorbeelden van het concept sociale ongelijkheid gegeven (op het gebied van gezondheid/kansen op een besmetting, maar ook met betrekking tot inkomens, huisvesting, onderwijs, werk et cetera)
Er is gekozen voor de Coronapandemie om het concept van sociale ongelijkheid te ontleden. De lessen vielen samen met het eerste half jaar van de pandemie, waardoor het voorbeeldmateriaal een voor leerlingen betekenisvolle context bood. Door de gevolgen van de pandemie met betrekking tot de levensomstandigheden van mensen in verschillende landen, voor verschillende bevolkingsgroepen te vergelijken wordt het conceptuele netwerk van leerlingen uitgebreid met meerdere associaties (verschillende voorbeelden). Het is materiaal dat leerlingen niet zo gauw vanuit hun omgeving meekrijgen.
We sluiten onder meer aan bij principes van het taalgericht vakonderwijs
- Door het gebruik van uiteenlopende bronnen, die leerlingen deels kennen uit hun eigen leefwereld krijgen leerlingen meerdere voorbeelden en associaties bij een begrip en worden begrippen stapsgewijs opgebouwde.
- Termen uit de definitie die ogenschijnlijk voor zichzelf spreken worden met voorbeelden verhelderd: sociaal in het concept sociale ongelijkheid (mensen zonder verzekering, die moeten doorwerken en niet thuis kunnen blijven en meer risico lopen, et cetera) en door de tegenstelling met natuurlijke ongelijkheid (ouderen die meer vatbaar zijn voor het virus, et cetera). Deelbegrippen als maatschappelijke waardering worden verhelderd met behulp van voorbeelden (zie bijvoorbeeld de vergelijking Messi en Cruijff of de inkomens van de bankier en de schoonmaakster) en andere contexten (huisvesting, inkomensongelijkheid et cetera)
- We maken gebruik van illustraties en schema’s om het onthouden te stimuleren door een verbinding te leggen tussen het visuele geheugen en het talige geheugen: zo helpen we leerlingen definities te ontleden en te verhelderen. Het gaat om definitieschema’s waarin de talige begrippen in onderdelen worden ontleed, schema’s van causale verbanden en de werking van mechanismen, en schema’s van samenhang tussen concepten waarmee complexere (causale) processen inzichtelijk worden gemaakt.
- De docent modelleert, maar leerlingen herleiden ook zelf de definities, verbanden en mechanismen met behulp van de gegeven schema’s, ondersteund door betekenisvol contextmateriaal.
- Tot slot is interactie belangrijk: in de lessen komen samenwerkingsopdrachten voor, waardoor leerlingen op een (inter)actieve manier concepten construeren en leren toepassen. Doordat veel lessen online zijn uitgevoerd is dit principe minder goed uit de verf gekeomen.
Aansluiting op de rubrics
Het curriculummateriaal beoogt om het sociaalwetenschappelijk redeneren van leerlingen naar een hoger niveau te kunnen tillen. Het progressiemodel (bestaande uit drie rubrics) over het sociaalwetenschappelijk redeneren beschrijft de verschillende redeneeractiviteiten in drie niveaus. Hieronder zijn de meest relevante redeneeractiviteiten voor dit curriculummateriaal uit de drie rubrics uitgelicht.
Rubric 1-3 ‘redeneren met sociaalwetenschappelijke concepten’ en ‘concretiseren van concepten’
Het adequaat leren gebruiken van concepten bij het beschrijven, verklaren en leren beredeneren van oplossingen van maatschappelijke vraagstukken kan worden verbeterd door het sociaalwetenschappelijk redeneren met deze concepten en door het inzetten van onderzoeksvaardigheden: hypothesen formuleren, variabelen onderscheiden en benoemen, het operationaliseren van een concept of variabele, indicatoren bedenken of herkennen, gegevens interpreteren, het kunnen geven van passende voorbeelden en tegenvoorbeelden.
Concepten maken vaak deel uit van een causale redenering, in de vorm van variabelen die met elkaar samenhangen: bijvoorbeeld de (mate van) sociale ongelijkheid, de (mate van) sociale cohesie en de vorming van identiteit. Daarom is voor een adequaat gebruik van concepten ook van belang dat leerlingen:
- causaliteit en correlatie of interdependentie kunnen onderscheiden
- oorzaken en gevolgen, ofwel onafhankelijke en afhankelijke variabelen, ofwel de richting van een verband kunnen onderscheiden (mede door vergelijken).
- een mechanisme of werking van een proces kunnen analyseren
- samenhang tussen hoofdvraagstukken of hoofdconcepten kunnen beredeneren (bijvoorbeeld aan de hand van de Coronapandemie)
- kunnen reflecteren op contexten of maatschappelijke problemen met behulp van een conceptueel kader
- oplossingen kunnen beredeneren en afwegen van vanuit de samenhang tussen de hoofdvragen
Zie ook: rubric 2 ‘Verklaren van maatschappelijke problemen’
Beschrijving kennisclip
Doel van het filmpje is om aan de hand van een concreet voorbeeld voor leerlingen duidelijk te maken wat een concept eigenlijk is. Er wordt verduidelijkt wat de functie van concepten zijn en waarom we ze nodig hebben. Omdat vergelijken een belangrijke denkstap is bij het conceptualiseren wordt hier gebruik gemaakt van een analogie (het concept boom). In het filmpje komt aan de orde dat concepten leren eigenlijk verloopt door het opbouwen van een netwerk van kenmerken, voorbeelden, tegenvoorbeelden, analogieën, contexten en associaties. Alleen op die manier kun je een concept (leren) gebruiken. Dat kan niet als je alleen de definitie uit je hoofd leert en dat wordt geïllustreerd aan de hand van het begrip sociale ongelijkheid en verschillende voorbeelden daarvan (onderwijskansen/achterstandswijken/levensverwachting etcetera).
Beschrijving scaffolds
In het lesmateriaal worden verschillende stappen doorlopen om concepten op een grondige manier te leren. De stappen die in de lessen terugkomen worden hieronder kort beschreven.
- Het starten doormiddel van een aandachtrichter: het vertrekken vanuit een context met meerdere voorbeelden die verwondering oproepen
- Het stapsgewijs construeren/modelleren van een concept (sociale ongelijkheid) en de deelconcepten die ermee samenhangen (status/positie et cetera)
- Het zoeken van ‘evidence’: door gebruik te maken van andere contexten en data
- (Andere) indicatoren of kenmerken voor een concept afleiden uit de voorbeelden (abstraction)
- Het maken van vergelijkingen om gegevens of bewijs te verzamelen waarmee we oorzaken en gevolgen (samenhang) kunnen afleiden voor het probleem (de context) die we behandelen
- Gebruik van visuele schema’s:
- Definitieschema’s: de definitie in woorden is eigenlijk moeilijk te ontleden; in een schema is het makkelijker te onderscheiden hoe de definitie in delen ‘ uiteenvalt’.
- Causale schema’s: waarin problemen, oorzaken/gevolgen, oplossingen/middelen, en gewenste resultaten en onbedoelde effecten te onderscheiden zijn
- Schema’s die mechanismen of de werking van processen helpen te ontleden
- Relatiecirkels op 2 niveau’s:
- Schema’s die verbanden tussen de hoofdvragen en kernconcepten onderscheiden
- Schema’s die relaties tussen de hoofdvragen onderling en omgevingsfactoren helpen te onderscheiden en te benoemen
- Het oefenen met de samenhang met andere concepten (oefenen met cause and consequence): de verschillen in waardering tussen mensen die (mede) ongelijkheid veroorzaakt hangen ook weer samen met de vorming van identiteit, met cultuur, met cohesie (b.v. mate van polarisatie) , en met verandering (b.v. individualisering en globalisering)
- de samenhang wordt weer geïllustreerd met context of voorbeelden, bewijs, data en schema’s
- Het vergelijken van verschillende perspectieven: benaderen van het vraagstuk vanuit verschillende invalshoeken, paradigma’s of theorieën. Zo kan bijvoorbeeld het maatschappelijke vraagstuk van sociale ongelijkheid, zoals dat zich openbaart in de context van de Coronapandemie worden beken vanuit het concept cultureel kapitaal of vanuit het idee van meritocratie (zie hieronder les 3 en 4).
Opzet van de lessen
Hieronder bespreken we de beschreven stappen wat uitgebreider in de context van het ontworpen curriculummateriaal. In de PowerPoints die leerlingen zelf kunnen gebruiken (tijdens online lessen), of die de docent kan gebruiken in de les wordt het schema van het begrip sociale ongelijkheid stapsgewijs opgebouwd en uitgebreid. De causale relaties tussen de onderdelen binnen de definitie worden door middel van het schema visueel verduidelijkt.
Les 1 (2 lesuren)
Omdat het lesmateriaal in de tijd van schoolsluitingen door leerlingen gemaakt moest worden zijn uitleg en opdrachten in de reader zo afgewisseld dat leerlingen zelfstandig door het materiaal kunnen. Uiteraard verdient een situatie waarin de docent, samen met de klas, de uitleg en nabesprekingen doet, de voorkeur.
We starten met een reeks verschillende, heel concrete, voorbeelden uit verschillende landen over ongelijkheid, die zichtbaar werd door de Coronapandemie; bijvoorbeeld ongelijkheid in kansen op besmetting. Verschillende groepen in verschillende landen (Rusland, VS, India, Engeland) lopen meer of minder kans besmet te raken, of adequaat behandeld te worden. De voorbeelden vormen deels een contrast met de situatie in Nederland
Leerlingen leiden een definitie van het concept sociale ongelijkheid af uit de voorbeelden en vullen een denkschema in. Dit schema helpt de verschillende aspecten van het concept te onderscheiden: leerlingen puzzelen zelf met de verschillende onderdelen van de definitie
Leerlingen passen het concept toe in een andere context: het voorbeeld van de ontwikkeling van inkomensongelijkheid of welvaartsverdeling in de VS. Daarbij verkennen ze ideeën over hoe die welvaart verdeeld is en hoe die verdeeld zou moeten zijn. We laten leerlingen eerst hun eigen verwachtingen opschrijven (voorkennis). De context wordt dichterbij gehaald door het voorbeeld van verschil in inkomen van de schoonmaakster Nadine en de bankier Jeroen (ook Nadine denkt dat de inkomensverschillen minder groot zijn en rechtvaardig).
Les 2 (2 lesuren)
In les 2 gaan we verder met het uiteenrafelen en schematiseren van het begrip sociale ongelijkheid.
Onderdelen uit de definitie die wellicht niet duidelijk zijn worden verhelderd door uitleg en opdrachten, maar ook door nieuwe voorbeelden en vergelijkingen. Wat is bijvoorbeeld een sociale positie? We gebruiken daarbij een plaatje (vergelijking) van een kippenren: een pikorde; wat zijn in een kippenren hooggewaardeerde zaken? Hoe kunnen we dat vergelijken met de samenleving?
We geven verschillende voorbeelden van hooggewaardeerde zaken en de ongelijke verdeling ervan. Wat verstaan we onder ongelijke waardering en behandeling? Daarna worden de hooggewaardeerde zaken geïllustreerd met voorbeelden (bijvoorbeeld met beelden en foto’s), zodat leerlingen niet alleen talige omschrijvingen tegenkomen, maar ook beelden opbouwen. Immers, wanneer voorbeelden ook aan het visuele geheugen worden gelinkt gaat het onthouden makkelijker. In opdrachten worden leerlingen gevraagd zelf voorbeelden te geven en toe te passen op de context van de Coronapandemie of de inkomensverdeling. De ongelijke waardering illustreren we bijvoorbeeld aan de hand van de (kortstondige) waardering van de vitale beroepen. Inkomen, macht, status worden op die manier behandeld, en we laten de samenhang er tussen zien.
Les 3 (2 lesuren)
In les 3 bouwen we het concept sociale ongelijkheid verder uit, aan de hand van nieuwe indicatoren (waar kun je het nog meer aan afmeten?), maar ook door de diepte in te gaan met het aspect van de maatschappelijke waardering van al dan niet aangeboren verschillen. Beide aspecten worden met voorbeelden duidelijk gemaakt en met opdrachten (actief) mede geconstrueerd door leerlingen.
De vergelijking in inkomen tussen Messi en Cruijff gebruiken we om te laten zien dat maatschappelijke waardering van voetbal(lers) is veranderd en dat dat gevolgen heeft voor de verdeling van hooggewaardeerde zaken.
Voorbeelden, plaatjes en tabellen van huisvesting, onderwijskansen (waarom komt dyslexie het meest voor bij kinderen van hoogopgeleide ouders?), levensverwachting en gezondheid komen voorbij. Met steeds als doel om de talige en visuele associaties bij het kernbegrip uit te breiden.
We gebruiken een nieuwe context: man-vrouw verschillen. Met behulp van womenstats.org laten we zien hoe verschillend de positie is van mannen en vrouwen in verschillende landen (met betrekking tot voorkeur voor een zoon of dochter, eigendomsrechten, (effectiviteit van wetgeving tegen) huiselijk geweld, et cetera). Wat voor onze leerlingen volkomen vanzelfsprekend is, is een uitzondering in de wereld. Op die manier verdiepen we het idee van de maatschappelijke waardering van al dan niet aangeboren verschillen en het idee van het sociale in het concept sociale ongelijkheid.
Van daaruit gaan we verder naar het begrip cultureel kapitaal: gebruiken een definitieschema en het voorbeeld van de kinderen uit 7up (in de VS) en laten zien hoe cultureel kapitaal de ongelijkheid in levenskansen van kinderen beïnvloedt. In een tabel bestuderen leerlingen de gegevens over huiswerkbegeleiding et cetera, en wie daar wel en niet gebruik van maken, en over dyslexie bij kinderen van westerse en niet westerse afkomst in Nederland. Daarmee laten we leerlingen redeneren over onderwijskansen.
Les 4: (2 lesuren)
In les 4 bouwen we aan een soort van relatiecirkel waarin de samenhang tussen de hoofdvragen of hoofdconcepten voor leerlingen verduidelijkt wordt. We gaan eerst dieper in op de vraag naar de vorming van maatschappelijke waardering van al dan niet aangeboren verschillen (bijvoorbeeld van vrouwen) en we leggen alvast de relatie met samenhang met de andere hoofdconcepten: binding en verandering.
Tot slot laten we aan de hand van de paradigma’s zien op welke van de hoofdconcepten de nadruk wordt gelegd als maatschappelijk hoofdvraagstuk in de verschillende paradigma’s en wat de ideeën zijn over andere hoofdvraagstukken binnen deze paradigma’s.
Ervaringen leerlingen en docent
Het materiaal is uitgeprobeerd in 3 klassen tijdens de uitbraak van de pandemie. Veel leerlingen bleken de lessen interessant en verdiepend te vinden. Het voegde diepgang toe aan de meer oppervlakkige kennis van thuis. Sommige leerlingen die het begrip sociale ongelijkheid al hadden gehad, begrepen de relevantie van het concept beter. Vanwege de schoolsluitingen moesten de opdrachten vaak online worden gedaan. Desalniettemin blijkt uit de reacties dat de context leerlingen ‘pakt’, waardoor het leren van concepten ‘makkelijker’ gaat. De relevantie van de concepten wordt voor leerlingen duidelijker aan de hand van de context. Ook docenten in de professionele leergemeenschap één jaar later hebben vaak van het materiaal gebruik gemaakt en gaven terug dat leerlingen het materiaal en de lessen waardeerden. Eigenlijk zou een jaar na afloop van dergelijke lessen een nameting moeten worden gedaan om te bekijken of de concepten zijn blijven hangen en of leerlingen de schema’s in een nieuwe context kunnen gebruiken.
Lesmateriaal
Concepten 1 Beschrijving Curriculummaterialen (download pdf)
Concepten 2 Lesmateriaal Leerlingreader (download pdf)
Concepten 3 Docentmateriaal Les 1 Voorbeeld Antwoorden (download pdf)
Concepten 3 Docentmateriaal Les 2 Voorbeeldantwoorden (download pdf)
Concepten 3 Docentmateriaal Les 3 Voorbeeldantwoorden (download pdf)
Concepten 3 Docentmateriaal Les 4 Voorbeeldantwoorden (download pdf)
Redeneren over maatschappelijke problemen – NRO praktijkgericht onderzoek – Universiteit van Amsterdam, 2022
Leren van concepten– Gerard Ruijs (RSG Broklede/UvA)
